Bochten op het ijs: hoe schaatsers de scherpe kanten beheersen

by Mark

Bochten rijden op schaatsen is een van de lastigste onderdelen van het schaatsen. Wie wel eens op een baan heeft gestaan, weet hoe snel het misgaat in een scherpe bocht. Je verliest je evenwicht, je schaats glijdt weg of je verliest kostbare tijd. Toch maken topsporters het er moeiteloos uit zien. Dat komt niet door talent alleen. Achter elke vloeiende bocht zit een heel systeem van techniek, krachtverdeling en timing.

Wat er precies gebeurt in een schaatsbocht

Een schaatsbocht is niet gewoon een bocht nemen zoals je met een fiets zou doen. Bij het schaatsen moet je actief kracht zetten om de baan te volgen. De binnenste voet beschrijft een kleinere cirkel dan de buitenste. Dat betekent dat beide benen in een ander ritme werken. De buitenste schaats duwt krachtig af, terwijl de binnenste schaats het lichaam in de juiste richting stuurt. De schaatser leunt hierbij naar binnen, richting het middelpunt van de boog. Die schuine houding voorkomt dat de centrifugale kracht je naar buiten gooit. Hoe scherper de boog, hoe meer de schaatser voorover moet leunen. Schaatsers zetten hun gewicht precies op het goede moment over van de ene voet naar de andere. Dat wisselen gaat snel en vraagt veel gevoel in de heupen en knieƫn.

De techniek van het inhalen en het rijden in de eerste baan

Op een 400 meterbaan zijn de twee bochten plaatsen waar tijdwinst te halen is. Dat geldt zeker voor de eerste baan, die dichterbij het middelpunt van de baan ligt. Die baan heeft scherpere bogen dan de tweede baan. Schaatsers in de eerste baan moeten daarom meer leunen en sneller wisselen. Tegelijk is de eerste baan over de hele ronde iets korter, want de binnenste cirkel is kleiner. Bij een wissel, de plek waar twee schaatsers van baan wisselen, bevindt zich dat punt altijd in de inrijzone van de bocht. De schaatser die van buiten naar binnen gaat, moet dan snel aanpassen aan de scherpere boog. Profschaatsers oefenen dit honderden keren om het automatisch te doen.

Schuifrijden en overzetpassen in de bocht

Een vaste techniek in de boog is de overzetpas, ook wel crossover genoemd. De schaatser plaatst de buitenste voet over de binnenste voet heen. Op die manier kan hij of zij de afzet blijven verlengen, zelfs terwijl de baan naar links of rechts buigt. Bij lange afstandsschaatsen zetten sporters dit afwisselend in met een gewone duwstap. Sprintsschaatsers gebruiken de overzetpas vaker en agressiever, omdat elke meter telt. De overzetpas vraagt om een goed gevoel voor balans. Als het gewicht te vroeg of te laat verschuift, verliest de schaatser zijn of haar lijn. Juist in wedstrijden, als de spieren moe zijn, worden fouten in de bocht duurder. Trainers kijken dan ook nauwkeurig naar de kniepositie en de hoek van de romp tijdens bochtenwerk.

Hoe schaatsers bochten trainen

Het trainen van bochtenwerk begint al bij beginnende schaatsers. Op de lange baan leren kinderen eerst rustig de boog te volgen, zonder te leunen of een overzetpas te maken. Stap voor stap voegen ze meer elementen toe. Bij gevorderde schaatsers draait training vaak om herhaling van kleine stukjes van de bocht, los van de rest van de ronde. Ze rijden dan alleen het inrijpunt of alleen het uitrijpunt telkens opnieuw. Video-analyse speelt daarbij een grote rol. Coaches filmen de schaatser en vergelijken de hoek van het lichaam, de richting van de knie en de positie van de armen. Kleine aanpassingen in de houding kunnen seconden schelen over een hele wedstrijd. Ook krachtoefeningen op het droge, zoals zijwaartse uitvallen en plankhouding op een balansschijf, helpen de controle in de boog te verbeteren.

Veelgestelde vragen

Waarom leunen schaatsers zo ver naar binnen in de bocht?
Schaatsers leunen naar binnen omdat de snelheid in de boog anders zorgt voor een trekkracht naar buiten. Door het lichaam schuin te zetten, houden ze hun evenwicht. Hoe sneller ze rijden of hoe scherper de boog, hoe meer ze moeten leunen om niet naar buiten te glijden.

Wat is het verschil tussen rijden in de eerste en de tweede baan?
De eerste baan ligt dichter bij het middelpunt van de baan en heeft scherpere bogen. De tweede baan heeft bredere bogen en is over de bochten iets langer. Schaatsers in de eerste baan moeten vaker aanpassen in hun techniek, maar rijden over het geheel een kortere ronde.

Kunnen beginners ook leren om goed door bochten te rijden?
Beginners kunnen zeker leren om beter door bochten te rijden. Het begint met rustig oefenen op de baan, waarbij je leert om het gewicht over te brengen en licht naar binnen te leunen. Met begeleiding van een trainer gaat dat leren een stuk sneller.

Maakt het type schaats uit voor bochtenwerk?
Het type schaats heeft invloed op hoe je rijdt in een boog. Klapschaatsen geven een langere afzet en zijn beweeglijker in de enkel, wat handig is bij de overzetpas. Vaste schaatsen worden meer gebruikt door beginners en zijn stabieler, maar bieden minder mogelijkheden voor een krachtige afzet in de bocht.

You may also like