Atletiek bestaat uit drie grote groepen: lopen, springen en werpen. Binnen die groepen vind je tientallen atletiek onderdelen, van de korte sprint tot de marathon en van het verspringen tot het discuswerpen. Of je nu zelf wilt starten of gewoon beter wilt begrijpen wat je ziet tijdens een wedstrijd: hier lees je wat elk onderdeel inhoudt.
Lopen: de basis van atletiek
Looponderdelen vormen het grootste deel van atletiek. Ze worden ingedeeld op afstand. Hoe korter de afstand, hoe meer het gaat om explosieve snelheid. Hoe langer de afstand, hoe meer uithoudingsvermogen telt.
Bij de sprint gaat het om de kortste afstanden, zoals de 100 meter, 200 meter en 400 meter. Lopers zetten hier alles op alles vanaf het startschot. Er is geen ruimte voor een rustige opbouw.
Middenafstandlopers lopen afstanden zoals de 800 meter en 1500 meter. Dit vraagt om een slimme mix van snelheid en tactiek. Lange afstandlopers gaan voor de 5000 meter, 10.000 meter of de marathon. Hier draait het om tempo bewaren en slim omgaan met energie.
Hordelopen en hindernislopen
Bij het hordelopen sprint je over een baan met obstakels. De klassieke afstanden zijn de 100 meter horden voor vrouwen en de 110 meter horden voor mannen, maar ook de 400 meter horden is een bekend onderdeel. Je loopt zo snel mogelijk en springt in een vaste ritmiek over de horden.
Het hindernislopen is iets anders. Dit onderdeel, de 3000 meter steeplechase, combineert hardlopen met vaste hindernissen én een watergreppel. Lopers moeten over of door een waterbak springen, wat dit onderdeel technisch en uitdagend maakt.
Estafette en snelwandelen
Bij een estafette lopen vier atleten samen één race. Ze geven een stokje aan elkaar door. De bekendste estafetteonderdelen zijn de 4 x 100 meter en de 4 x 400 meter. De wissel van het stokje is een vak apart: te vroeg of te laat wisselen kost kostbare seconden.
Snelwandelen is een eigen atletiekonderdeel waarbij je altijd minstens één voet op de grond moet houden. Je ziet dit onderdeel op de weg en op de baan. Typische afstanden zijn de 20 kilometer en 50 kilometer, al verschilt dit per wedstrijd en categorie.
Springonderdelen: hoogte en afstand
Bij de springonderdelen gaat het erom zo ver of zo hoog mogelijk te komen. Er zijn vier onderdelen:
- Verspringen: je neemt een aanloop en springt zo ver mogelijk in een zandbak. De meting gaat van de afzetlijn tot het dichtstbijzijnde indrukpunt in het zand.
- Hoogspringen: je springt over een lat die steeds hoger wordt gelegd. De meeste atleten gebruiken de flop-techniek, waarbij ze met hun rug over de lat gaan.
- Hink-stap-springen: dit is een combinatie van drie bewegingen achter elkaar. Je zet af, hopt op hetzelfde been, doet dan een stap en landt vervolgens in de zandbak.
- Polsstokhoogspringen: met een lange flexibele stok spring je over een lat op grote hoogte. Dit onderdeel vraagt veel techniek en kracht.
Werponderdelen: kracht en techniek
Bij de werponderdelen draait het om het zo ver mogelijk gooien of stoten van een voorwerp. Er zijn vier klassieke onderdelen binnen de atletiek onderdelen:
- Kogelstoten: je stoot een zware metalen bal weg vanuit een klein cirkelvormig vak. De kogel mag je niet gooien, maar moet je duwen vanuit de schouder.
- Discuswerpen: je werpt een schijf zo ver mogelijk. De draaibeweging die je maakt in de cirkel geeft de schijf vaart.
- Speerwerpen: je gooit een speer zo ver mogelijk. Hierbij neem je een aanloop en geef je de speer op het juiste moment vrij.
- Kogelslingeren: een zware bal aan een staaldraad wordt rondgedraaid en vervolgens losgelaten. Dit onderdeel vraagt om kracht én timing.
Meerkampen: het beste van alles
Bij een meerkamp combineert een atleet meerdere onderdelen in één wedstrijd. De bekendste meerkampen zijn de tienkamp voor mannen en de zevenkamp voor vrouwen. In de tienkamp doen atleten over twee dagen onderdelen als de 100 meter, verspringen, kogelstoten, hoogspringen, 400 meter, 110 meter horden, discuswerpen, polsstokhoogspringen, speerwerpen en de 1500 meter. Je scoort punten op elk onderdeel en wint door het hoogste totaal te halen. De meerkamp wordt vaak gezien als de ultieme test in de atletiek.
Welk onderdeel past bij jou?
Ben je snel en explosief? Dan liggen sprint of springonderdelen voor de hand. Houd je meer van uithoudingsvermogen? Kijk dan naar de midden- of lange afstand. Ben je groot en sterk gebouwd? Dan kun je je talent goed kwijt bij de werponderdelen. Atletiek heeft voor bijna ieder lichaam en iedere persoonlijkheid een passend onderdeel. De meeste atletiekverenigingen bieden jeugdleden de kans om meerdere onderdelen te proberen voordat ze een keuze maken.
Veelgestelde vragen
Hoeveel atletiek onderdelen zijn er in totaal?
Atletiek telt tientallen officiële onderdelen. Bij grote internationale kampioenschappen, zoals de Olympische Spelen, staan er voor mannen en vrouwen samen meer dan veertig onderdelen op het programma. Het precieze aantal verschilt per toernooi, omdat sommige onderdelen alleen indoor of alleen outdoor worden gelopen.
Wat is het verschil tussen indoor en outdoor atletiek?
Outdoor atletiek vindt buiten plaats op een 400 meter baan. Indoor atletiek wordt binnen gespeeld op een kleinere baan van meestal 200 meter. Sommige onderdelen, zoals de 4 x 100 meter estafette en het kogelslingeren, staan niet op het indoorprogramma vanwege de beperkte ruimte.
Wat is de makkelijkste manier om te beginnen met atletiek?
De meeste atletiekverenigingen hebben een beginnerstraining voor alle leeftijden. Je start meestal met basislopen en krijgt daarna de kans om verschillende onderdelen te proberen. Er is geen voorkennis nodig om je aan te melden.
Wat is hink-stap-springen precies?
Hink-stap-springen is een springonderdeel waarbij je drie opeenvolgende bewegingen maakt: eerst een hink op het afzetbeen, dan een stap op het andere been en tot slot een sprong waarbij je in de zandbak landt. Het gaat om het combineren van snelheid, ritme en springkracht.